Praat mee over opvoeden en onderwijs

Laat je stem horen en meld je nu aan voor het Landelijk Ouderpanel.

Direct aanmelden

Geef kinderen de tijd!

  • Miriam Gianotten
  • Blog

- Miriam Gianotten -

Zojuist zag ik een filmpje op Nu.nl over kans(on)gelijkheid in het onderwijs. Het schooladvies op 12 jarige leeftijd is de boosdoener. Het schooladvies is niet objectief, een kind met laagopgeleide ouders krijgt een lager schooladvies dan een kind met hoogopgeleide ouders, zo luidt de bewering. Als voorbeeld twee jongetjes; Luuk met hoogopgeleide ouders en een CITO-score van 538 en Daan met laagopgeleide ouders en een CITO-score van 535. Luuk krijgt een havo-advies en Daan vmbo, terwijl volgens de spreker de scores bijna gelijk zijn. Maar dat ligt genuanceerder.

CITO hanteert een schaal van 500 tot 550. Er zijn 50 punten te verdelen over 5 soorten voortgezet onderwijs: 
•    vmbo-basis; CITO-score 501 - 523
•    vmbo-kader; CITO-score 524 - 528
•    vmbo-gemengd/theoretisch; CITO-score 529 - 536
•    havo; CITO-score 537 - 544
•    vwo; CITO-score 545 – 550
Dit laat meteen al zien dat de gegeven adviezen voor Luuk en Daan kloppen, alleen op basis van de standaarden die bij de CITO-eindtoets horen. Persoonlijk ben ik geen voorstander van de eindtoets en vind ik de indeling van de scores van CITO er – op zijn minst – bijzonder uit zien, maar er zal vast over nagedacht zijn. Op basis van de eindtoets kan het – eerder gegeven – schooladvies nog naar boven worden bijgesteld. Dat zal hier niet het geval zijn, de CITO’s geven dezelfde uitslag; Luuk nét een havo-advies en Daan een advies vmbo gemengd/theoretisch.

Ik vind dat het filmpje erg kort door de bocht gaat met de conclusie dat kinderen van laagopgeleide ouders minder kansen krijgen dan kinderen van hoogopgeleide ouders. Ik geloof overigens wel dat het mee kan spelen in de verwachtingen wat een kind kan bereiken en dat vind ik een kwalijke zaak. 

Maar de kansongelijkheid zit ‘m niet alleen op het einde van de basisschool, die is er al vanaf de eerste schooldag. Het is ons onderwijssysteem zelf dat de kansongelijkheid creëert. De kansen van de kinderen worden namelijk beperkt door de tijd die ze krijgen om kennis en vaardigheden te leren. Dit is vaak afgebakend door (een deel van) een schooljaar. En als de tijd te kort is, scoort een aantal kinderen slecht op toetsen, waardoor er uiteindelijk een lager schooladvies volgt.

Een voorbeeld: In groep 4 leren kinderen doorgaans de tafels van vermenigvuldiging (1 tot en met 10). De eerste tafels die ze leren zijn de makkelijke tafels; 1, 2, 10, 5. De snelle rekenaars memoriseren deze tafels vrij snel en mogen dan door met de andere tafels. Bij de langzamere rekenaars duurt dit langer, waardoor ze later met de moeilijkere tafels beginnen. Tegen de tijd dat zij bij de moeilijkste tafels (7 en 8) zijn beland, is het schooljaar bijna voorbij. Er is te weinig tijd om deze tafels te memoriseren en daar houden ze altijd last van. Bij delen, breuken, verhoudingen, procenten en nog veel meer zijn de tafels van vermenigvuldiging belangrijk. Maar deze kinderen hebben de tijd niet gehad om alle tafels goed te memoriseren en de kans is groot dat ze worden gekarakteriseerd als ‘slechte’ rekenaars en ze stevenen af op een vmbo-advies. Maar een betere karakterisering is ‘langzamere’ rekenaars (en zelfs van deze term word ik een beetje misselijk, waarom hangen we hier een tijdslimiet aan?). Wat zou er gebeuren als deze kinderen meer tijd zouden krijgen om de tafels te memoriseren en de andere rekenvaardigheden onder de knie te krijgen? Dan zien we dat ook deze kinderen eventueel havo of misschien wel vwo aankunnen.

Toetsen in het onderwijs meten of kinderen – binnen de gestelde tijdslimiet – bepaalde kennis en vaardigheden hebben geleerd. En gaan daarin voorbij aan de kinderen die dezelfde kennis en vaardigheden kunnen leren als er meer tijd zou zijn. En dáár zit de kansongelijkheid; kinderen die wat langzamer gaan, krijgen niet dezelfde kansen als de kinderen die het wel (soms ook maar net) binnen de tijdslimiet halen. 

Tijd is de bepalende factor in ons onderwijs, niet de mogelijkheden van het kind. Dus, als we kansgelijkheid willen in het onderwijs, zullen we ervoor moeten zorgen dat kinderen genoeg tijd krijgen om zich te ontwikkelen. Dat begint al op de eerste schooldag, ieder zijn eigen tempo. Dat zouden we zomaar passend onderwijs kunnen noemen. En daarmee moet het mogelijk zijn om (vroeger of) later een middelbare school te kiezen. Krijgen de makers van het filmpje toch nog hun zin…

Dit is een blog en is geschreven op persoonlijke titel van de auteur.

Miriam Gianotten
Miriam Gianotten

Miriam Gianotten over zichzelf: 'Ik ben moeder van drie hoogbegaafde kinderen en werkzaam als docent en educatief auteur. Verder ben ik bezig met de ECHA-opleiding tot hoogbegaafdheidsspecialist. En ik ben actief als vrijwilliger, onder andere in de werkgroep 'Ouders en school samen' van Ouders & Onderwijs. Ik houd van volleyballen, lezen en het allermeest van mijn kinderen!

  • Deel deze informatie
  • Goed artikel?