Het Nederlandse schoolsysteem: openbaar én bijzonder onderwijs

 

In Nederland bestaat vrijheid van onderwijs. Openbaar en bijzonder onderwijs bestaan naast elkaar en zijn gelijkwaardig. Dit is historisch zo gegroeid. 

 

Het Nederlandse schoolsysteem: openbaar én bijzonder onderwijs

Het Nederlandse schoolsysteem is het resultaat van een typisch Nederlands compromis. Anders dan in veel andere landen, bestaan openbaar en bijzonder onderwijs gelijkelijk naast elkaar. De vrijheid van onderwijs brengt gelijke rechten op subsidiëring door de overheid met zich mee. De vrijheid van onderwijs betreft drie aspecten:

  1. De stichting van een school; burgers zijn vrij een school op te richten.
  2. De richting van het onderwijs; de grondslag van de school kan levensbeschouwelijk, religieus, politiek of onderwijskundig bepaald zijn.
  3. De inrichting van het onderwijs: binnen grenzen brengt dit een zekere vrijheid van leerstof en leermethode met zich mee.

Aan de principiële gelijkheid van openbaar en bijzonder onderwijs ging een langdurige schoolstrijd vooraf.

 

Schoolstrijd

Het startschot tot de schoolstrijd kwam tijdens de Franse tijd in Nederland (1795-1813), met het principe van scheiding van staat en kerk. Tot die tijd had de Nederlands Hervormde Kerk het voor het zeggen op scholen. Onder invloed van Frankrijk werd onderwijs een staatszaak. Aparte christelijke scholen mochten - met toestemming van de overheid - wel voortbestaan maar op overheidsgeld hoefden zij niet te rekenen. 

De openbare school had wel een christelijke inslag. De Schoolwet van 1806 bepaalde namelijk dat de openbare school moest opleiden tot 'alle christelijke en maatschappelijke deugden'. Op andere gebieden was de wet radicaler voor de openbare school: leraren moesten bijvoorbeeld klassikaal lesgeven en bevoegd zijn als docent. Ouders moesten wel verplicht schoolgeld betalen. 

Dat op de meeste openbare scholen een milde vorm van protestants onderwijs werd gegeven, ging veel protestanten niet ver genoeg. Groen van Prinsterer bijvoorbeeld beijverde zich voor een veel religieuzer vorm van onderwijs. En Kuyper zette zich in voor bijzondere scholen naast de openbare. De protestanten kregen bijval uit katholieke hoek. De katholieken boden koning Willem I in 1840 een lijst van klachten over de achtergestelde positie van katholieken aan. In die lijst stond het onderwijs centraal. Het openbare onderwijs was namelijk vaak protestants van inslag en liet geen ruimte voor een katholieke inslag.

 

De onderwijspacificatie

De strijd voor bijzonder onderwijs kreeg steun uit onverwachte hoek. In de grondwet van 1848 benadrukte de liberaal Thorbecke namelijk de vrijheid van onderwijs. Thorbecke was als liberaal weliswaar meer een voorstander van openbaar onderwijs, maar hij vond dat iedereen zijn eigen school mocht stichten als er maar goede leraren waren. Dit gaf de schoolstrijd een enorme impuls: het recht op bijzonder onderwijs was gerealiseerd met de grondwet van 1848! Was nog miste was het geld - de financiële gelijkstelling. De politieke partijen ARP, CHU en Bond voor de RK kiesverenigingen hadden religieus grote verschillen, maar zij deelden het politieke strijdpunt van gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs. Principieel én financieel. Zij streden door.

Politiek tegenstanders waren de libaralen en socialisten. Deze verdedigden het openbaar onderwijs en waren fel gekant tegen iedere vorm van staatssubsidie voor christelijke scholen. Goed onderwijs was religieus neutraal onderwijs, zo vonden zij. Liberalen en socialisten hadden echter één politiek strijdpunt waar zij nog meer aan hingen dan aan openbaar onderwijs. Dat was het algemeen mannenkiesrecht. Dat vergde een grondwetswijziging met een gekwalificeerde meerderheid van de Staten-Generaal. En daarvoor was de steun van de confessionele partijen onontbeerlijk.

Na jaren van politieke strijd kwam het daarom in 1917 tot een compromis. In ruil voor invoering van algemeen mannenkiesrecht werd het bijzonder onderwijs grondwettelijk gelijkgesteld aan het openbare. Ook financieel. Voortaan zouden bijzondere scholen precies evenveel overheidsgeld krijgen als openbare. De nieuwe situatie werd vastgelegd in de Lager Onderwijs Wet van 1920. Het einde van de schoolstrijd, de zogenaamde 'onderwijspacificatie', was hiermee een feit.

Meer informatie

  • Deel deze informatie
  • Goed artikel?